 |
Hier langs de waterkant mijn hengel uitgooiend wacht ik op de prooi die mij zo lief is. Mijn dobber danst als een ballerina op de golven en een rietkraag buigt geamuseerd mee op het ritme van de wind, die zich nu verplaatst richting een oude boom die moeizaam stand houdt. Een laatste groet, een laatste omhelzing ditmaal zonder geweld. Zich nu verplaatsend richting een cirkel rotsen zuigt hij zich vast en dolgedraaid bevrijdt hij zich met een zucht Nu zichtbaar aangewakkerd raast hij door een karkas. De ribben gebruikend als windorgel splitst hij zich op in twaalf richtingen en vult verder het landschap. Met mijn ogen op mijn dobber mijmer ik. dat op de dag dat er onkruid uit mijn ribben zal ontspruiten Ik zal betreuren wat ik ooit geweest ben. Wie leent mij een bedelnap met water Om een vis te redden die ligt op op de kant? gedicht en schilderij: Albert de Bruin 2005 |
|